Het vervaardigen van glas.

Glas wordt gemaakt van een mengsel van zand, soda en kalk. Kristal is een mengsel van zilverzand, potas en loodmenie. Kristal heeft een grotere helderheid en glans maar is ook zachter dan glas. Het mengsel van grondstoffen wordt in de glasoven verhit tot 1500 graden. Na het smeltproces wordt de temperatuur teruggebracht tot 1200 graden, omdat het glas anders te vloeibaar is om te bewerken.

Verschillende kleuren worden gemaakt door metaaloxyden als kleurstoffen aan het gemeng toe te voegen, waarbij ijzer - bruin, chroom - groen, kobalt - blauw, selenium - rood, uraan - geel, ijzer en koolstof - zwart, opleveren.

 

Mondgeblazen glas

Voor het maken van een drinkglas zijn 4 mensen nodig: de glasblazer, de glasmaker, de keier en de indrager.

De blaaspijp die de glasblazer gebruikt is een ijzeren buis van 1,25m lente en 1,5 cm dikte, met aan de ene kant een mondstuk en aan de andere kant een taps uitlopende verdikking. De glasblazer steekt deze pijp in de oven waarin zich de gloeiende glasmassa bevindt, en draait deze rond waardoor de gewenste hoeveelheid glas aan de pijp komt. Dit klompje glas wordt dan op een ijzeren plaat heen en weer gerold waardoor het een langwerpige vorm krijgt: het welsen. Door even in de pijp te blazen komt er lucht in het klompje, dat dan een gerekte bolvorm aanneemt. Voortdurend rolt de blazer de pijp in zijn handen, omdat anders het glas uitzakt. De voorvorm (paraison) is dan gereed en de glasblazer stopt de blaaspijp met het glas in een tweedelige vorm van hout of ijzer, om de kelk te blazen. De vorm wordt telkens in een bak met water gekoeld, zodat een laagje waterdamp tussen de vorm en het glas ontstaat: hierdoor komt het glas niet aan de vorm vast te zitten. 

 

De vorm wordt geopend en de glasblazer geeft de pijp met de kelk eraan aan de glasmaker. Deze zit in een stoel met lange armleuningen van ijzer. De glasmaker houdt de pijp met de kelk omhoog zodat de keier er glas op kan laten druipen dat hij met een ijzeren staaf uit de oven heeft geplukt.

De glasmaker knipt er zoveel af als dat hij nodig heeft om het been aan de kelk te maken. met een hand rolt hij de blaaspijp over de leuning heen en weer en met een tang vormt hij met de andere hand het been. de keier laat weer een druppel op het been vallen en de glasmaker knipt af wat hij nodig heeft. Hij vormt er eerst een bolletje van en bewerkt dat vervolgens met het voetenhoutje, twee plankjes op elkaar, waardoor een ronde platte voet ontstaat. De pijp moet gerold blijven omdat het glas nog steeds kan uitzakken. Met een speciaal mes geeft de glasmaker een inkerving dicht bij de blaaspijp, waarna het glas daar van de pijp afbreekt door er tegenaan te tikken. De indrager brengt het glas in een met asbest omwikkelde tweetand naar de afsmeltoven., daarin wordt de kap van de kelk verwijderd en de mondrand afgewerkt.  

 

 

bron: Leerdam glas 1878-2003 A. van der Kley-Blekxtoon