Glasfabriek Leerdam

De glasfabriek Leerdam was een van de eerste fabrieken in Nederland die samen-

werkte met kunstenaars, waarbij zij zich niet alleen richtten op het decoratieve sierglas, maar ook op de vervaardiging van goedkope en esthetisch verantwoorde

gebruiksproducten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Historie

1765 - In Leerdam wordt de eerste flessenblazerij gebouwd. Vanwege de donkere flessen die er worden geblazen, wordt de fabriek ook wel ‘de Zwarthut’ genoemd.

1878 - Op 18 juni wordt door de heren Jeekel en Mijnssen naast de bestaande zwarthut een withut opgericht, een glasfabriek waar uit het buitenland geïmporteerd witglas werd gehard. Het assortiment bestaat nu behalve uit flessen en potten ook uit serviesgoed, gemaakt met behulp van buitenlandse ontwerpen en modellen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1915 - Door P.M. Cochius, sinds 1895 in dienst en van 1912 tot 1934 directeur van de Leerdamse Glasfabriek, wordt een team van ontwerpers aangetrokken dat ervoor moet zorgen dat de Leerdamse fabriek een esthetisch verantwoorde assortiment op de markt kan brengen. De nadruk lag op gebruiksartikelen en kunstnijverheidsproducten. Architect K.P.C. de Bazel was in 1916 de eerste kunstenaar die een aantal glasserviezen voor hem ontwierp. Na De Bazel volgenden nog meer externe ontwerpers waaronder Cornelis de Lorm, Chris Lanooy, H.P. Berlage, Jaap Gidding en Chris Lebeau.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Petrus Marinus Cochius was de man die de Leerdamse revolutie in de glasvormgeving mogelijk maakte. In zijn 22-jarig directoraat bracht hij maar liefst 1.500 nieuwe ontwerpen in productie. Cochius was een ondernemende idealist die zijn tijdgenoten wilde verheffen met mooie producten en het leven van de arbeider verbeteren met goede huisvesting, kortere werkuren en zelfs inspraak. Bij Cochius waren het zakelijke en geestelijke leven onlosmakelijk met elkaar verbonden: hij was lid van de theosofische vereniging, de vrijmetselarij, de Orde van de Ster in het Oosten, de Praktisch Idealisten Associatie (PIA), de Vrije Katholieke Kerk en de Rotaryclub.

P.M. Cochius zorgde voor het verbeteren van de sociale omstandigheden van het personeel, het moderniseren van de bedrijfsvoering en het uitbreiden van de glasfabricage en dan vooral het kunstnijverheidsglas. Hij zocht contact met ontwerpers

van kunstnijverheid om tot een massaprodukt te komen dat ook een “ding van schoonheid” was.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

K.P.C. De Bazel, ook vrijmetselaar en theosoof, was de eerste die hij vroeg een ontwerp te maken voor gebruiksglas. Cochius koppelde zijn idealisme aan pragmatisme. De bekende kunstenaars die hij vroeg om ontwerpen voor glas te maken behoorden ook toen al tot de bekende kunstenaars, hetgeen de verkoop stimuleerde. In de villa die gebouwd is voor de illustere directeur Cochius, is nu het Glasmuseum gehuisvest.